Wat een week ... CD
HOSTSONATEN - Springsong (2002)
Naast de stroom overbodige releases ...
... met geringe artistieke waarde die al jaren over onze symfo- en prog- hoofden wordt uitgestort, worden er uiteraard ook regelmatig pareltjes en parels gemaakt. Zoals het album 'Springsong' van het Italiaanse Hostsonaten een parel is die onderdeel uitmaakt van een vierluik waartoe ook het net uitgebrachte 'Winterthrough' behoort. Dit nieuwste, en ik verklap nu al, even uitstekende album zal overigens binnenkort worden gerecenseerd op ProgLog AFTERglow.
Het schitterend vormgegeven 'Springsong' - iedere track heeft een eigen kaartje - laat mooie, romantische, enigszins 'laid back' symfo horen, gevat in een geheel eigen en unieke toonzetting. Laat mij een fragment horen en ik roep 'Hostsonaten'. De zeer actieve leider Fabio Zuffanti - ook al be- kend van de indrukwekkende band La Maschera di Cera en van Finis- terre - componeert juweeltjes waar de integriteit en liefde voor de muziek afdruipen.
Luister naar 'Springtheme', doe uw ogen dicht en u hoort de vogeltjes fluiten en u ziet de knoppen ontluiken. Luister een kwartier naar 'Toward the Sea' en u maakt een mooie tocht vanuit de 'Blackmountains' naar de plek waar de lente is: 'Springland'. Een tocht waarbij uw gids bestaat uit kabbelende mellotrons, heerlijke dwarsfluit en viool, veel akoestische gitaren en vooral een richtinggevende melodielijn. Hostsonaten: de vertalers van onze emoties die wisselen per jaargetijde. JoJo (wat een week 22)
Il Bacio della Medusa - Discesa Agl'inferi d'un Giovane Amante (2008)
Label: Black Widow Records
Bandsite: www.ilbaciodellamedusa.it of myspace
Duur: 55:58
Reviewer: Harry 'JoJo' de Vries
Waardering: (uit max. 5 JoJo's)
Is er ooit een waardige Italiaanse opvolger gekomen van het illustere en briljante Premiata Forneria Marconi (PFM)? Nee, is mijn bescheiden mening. Natuurlijk zijn er vele prima bands sinds de jaren 70 vanuit de laars over Europa getrokken. Toch hebben sindsdien maar weinig Italiaanse bands vaste en langdurige voet op de bodem van de rest van Europa weten te zetten.
La Maschera di Cera wellicht die met 'Il Grande Labirinto' in 2003 een meesterwerk afleverden en ook met 'Lux Ade' in 2006 hoge ogen gooiden. Leidsman Fabio Zuffanti wedt echter op veel paarden tegelijk en de band neemt een te bescheiden plaats in met slechts een, weliswaar trouwe, maar te kleine schare fans om hen het predikaat 'Opvolger van PFM' te verlenen. Overigens is PFM nog 'alive and kicking' maar toch ... de heren zijn al op leeftijd. Toch durf ik, met enige slagen om de arm, te beweren dat de band 'Il Bacio della Medusa' oftewel 'Medusa's Kiss' uit Perugia over- tuigend gaat meedingen voor een plaats in de erfopvolging want 'Discesa Agl'inferi d'un Giovane Amante' is indrukwekkend.
De band laat op dit tweede album een mengeling horen van PFM, Jethro Tull, Delirium en Rigoni en Schoenherz' album 'Victor' en bovenal symfo- nische rock. De klassieke invloeden, o.a. door het veelvuldig gebruik van de viool, de lange tracks met verschillende 'movements', de complexe en afwisselende arrangementen gezet in een warme sfeer met veel gevoel, wettigen het bijvoeglijke naamwoord 'symfonische'. Dit alles gevoegd naast een technisch kunnen dat een conservatoriumopleiding doet vermoeden. Gitarist en zanger Simone Cecchini licht het album toe "It is a sort of Dante’s “Paolo e Francesca” but made in our way, it’s the story of a lover who is on hell with his women, flash backs feelings and many sensations by the point of view of the lover.” Een conceptalbum dus.
Het album start ingetogen en dramatisch met 'Preludio: Il Trapasso' dat overloopt in 'Confessione d'un Amante': veel dwarsfluit, gedragen zang, piano en viool waarbij je de uitbarsting aan voelt komen, zo'n goed opge- bouwde spanning waar PFM patent op had en heeft. Een uitbarsting die zich dan voltrekt in 'La Bestio ed il Delirio', heerlijk orgelspel op een fel ritme overgaand in een op zigeunermuziek gebaseerd thema. Verder wervelend fluitspel en een vuil en kreunend orgel in 'Ricordi dell Supplizio'. En niet te vergeten: prima zang van Cecchini, toch regelmatig het zwakke punt bij veel prog- en symfobands. Wat albumbreed met name aanspreekt is de afwisseling: van romantiek naar barokke agressie, van ingetogenheid naar alle registers open zoals in één van mijn favorieten 'Nostalgia Penti- mento e Rabbia' dat ook nog een aanstekelijk nerveus thema kent dat niet meer uit het hoofd verdwijnt. Heerlijk!
Een andere uitschieter is 'Nosce te Ipsum la Bestia ringhia in Noi'. Een imponerend stuk dat uit verschillende delen bestaat. Een up-tempo deel met prima orgel- en pianospel van Diego Petrini, een felle viool en door dat laatste referenties aan Curved Air. Maar ook met rustiger elementen, zeer klassiek door het samenspel van piano en viool, min of meer overgaand in de volgende track met ijle samenzang en een dramatische melodie zoals alleen Italianen dat kunnen neerzetten vanuit hun in oude muziek, opera en operette gedrenkte cultuur.
Een gebruikelijk probleem bij Italiaanse bands zijn de vele wisselingen in de personele bezetting. Hoe zou dat toch komen? De onrust en de felheid van de Italiaanse cultuur? Machogedrag? Ik weet het niet maar ook Il Bacio heeft daar tussen het debuut en dit tweede album mee te kampen gehad. Als men binnen deze band nu eens de rust bewaart, de continuiteit in het oog houdt en doorgaat op het ingeslagen mooie pad dan denk ik dat ooit, bij het openbaren van het testament van PFM, de notaris zal decla- meren "Het heeft de leden van PFM behaagt u, Il Bacio della Medusa, te doen toekomen voor de komende jaren de opengevallen plaats van PFM in het progressieve landschap". JoJo (05-2008)
Bezetting:
Simone Cecchini - vocals, acoustic guitars, saxophone
Simone Brozzetti - electric guitar
Federico Caprai - bass
Diego Petrini - drums, percussion, vibrafoon, organ, piano
Eva Morelli - flute, piccolo
Daniele Rinchi - violin, viola
Discografie:
Il Bacio della Medusa (2004)
Discesa Agl'inferi dún Giovane Amante (2008)
Wat een week ... CD
BRUFORD - Gradually Going Tornado (1979)
Wie was toch die 'Unknown' John Clark ...
... die de plaats van gitarist Alan Holdsworth had ingenomen op Bruford's derde en in deze opzet laatste studio-album? Er werd wel beweerd dat het Holdsworth zélf was, en zo af en toe komt Clark qua sound dicht in de buurt. De verandering betekende wel een minder prominente rol voor de gitaar, waardoor met name de bas van Jeff Berlin meer ruimte kreeg. Met een zwaar knorrend geluid en fenomenale partijen - op zijn eigen compo- sitie getiteld 'Joe Frazier' klinkend als een op dreef zijnde Jaco Pastorius - eist Berlin een hoofdrol op en dan blijkt hij ook nog eens te kunnen zingen! Een bassist die de lead vocals voor zijn rekening neemt, dát hadden wij in de progressieve rock eerder gehoord bij mensen als Greg Lake en John Wetton.
Het album kende één nadeel: het was de opvolger van het magistrale 'One of a Kind' (zie WeekCD 2006-48) en het was voor de fans even wennen. De muziek klonk directer, de songs waren toegankelijker en het totaalbeeld minder magisch en atmosferisch. Het vakmanschap bleef recht overeind. Bill Bruford zelf is te herkennen in iedere 'drumfill' en Dave Stewart komt op toetsen uitermate sterk naar voren.
En John Clark? Hij zou na zijn avontuur bij deze groten toetreden tot de begeleidingsband van Cliff Richard en daarmee voorgoed relatief 'unknown' blijven. Peter Swart (wat een week 21)
Wat een week ... CD
DEMIANS - Building up an Empire (2008)
Volledig uit het niets ...
... verschijnt de Fransman Nicolas Chapel, autodidact op muziekgebied, aan het front van de progrock met een subliem en sfeervol album 'Building up an Empire'. Chapel schreef alle tracks, speelt alle instrumenten zelf, heeft het album geproduceerd en ontwierp zelfs de mooie hoes.
Onder de naam 'Demians' maakt Chapel progressieve rock die voor een ieder die van Porcupine Tree - Wilson schreef zelfs een aanbeveling - OSI en World Party houdt nooit een miskoop zal zijn. Bovendien toont Chapel aan dat hij niet gemakzuchtig blijft hangen in zijn voorbeelden en weigert mee te gaan in het grote, uitdijende leger der kopiisten en naäpers dat de progrock 'rijk' is, maar laat hij een duidelijke eigen wil horen die op termijn waarachtig zou kunnen leiden tot een 'Demians-sound'.
Elke compositie is raak, zo ook het heldere, prima geluid en vooral wordt de emotie niet vergeten.Toch een paar uitschieters: het intrigerende ietwat mystieke 'Unspoken', 'Temple' en vooral ook 'Sand', een absoluut meester- werkje van ruim een kwartier. Als ik eerlijk ben verdient het gehele album dit predikaat. Niet te hopen dat na het debuut de koek op is, zoals zo vaak. Dat gevoel heb ik toch niet bij Chapel. Die heeft nog heel wat in zijn mars en gaat een koninkrijk opbouwen. JoJo (wat een week 21)
MUSICAL IMPRESSION: klik op Demians
Mike Grande - My Dash Between the Numbers (2007)
Label: MG
Bandsite: www.grandeland.com
Duur: 36:16
Reviewer: JoJo
Waardering: (uit max. 5 JoJo's)
Wat een verborgen muzikaal talent loopt er toch rond op deze aardkloot. Neem nu gitarist Mike Grande. Beperkte zich tot op heden tot sessiewerk maar maakt in mijn oren met 'My Dash Between the Numbers' een uitste- kend album, heeft een eigen studio ("frustrated with rising studio costs"), neemt de promotie en distributie zelf ter hand en heeft in deze loopbaan- fase maar één doel: ervoor zorgen dat zoveel mogelijk mensen wereldwijd zijn album (gratis) in bezit krijgen en dat er veel over gesproken en ge- schreven wordt. Aan het realiseren van die doelstelling wil ProgLog AFTERglow graag meewerken want Grande verdient het om met dit instru- mentale album gehoord te worden.
'My Dash Between the Numbers' is een, overigens iets te kort, werkstuk dat past in de 'traditie' van Joe Satriani, Steve Vai en vooral ook Frank Gam- bale: stevige, hoekige gitaargeoriënteerde progrock. Nu lijdt vooral Vai nogal eens aan compositorische tekortkomingen en melodie-armoede. Bij Gambale is daar veel minder sprake van. Vandaar dat ik Grande liever met laatstgenoemde vergelijk want de melodielijn weet hij goed neer te zetten en gaandeweg de tracks te bewaken.
Het gitaarspel van Grande is vingervlug en schiet van boven naar beneden de gitaarhals en weer terug. Niet met als doel te tonen "hoor eens hoe snel ik kan spelen" maar zijn partijen maken integraal onderdeel uit van de composities en vormen niet slechts de opvulling van de ruimte die er nu eenmaal altijd valt in een track. De gitaarsolo's zijn, kortom, bij Grande geen doel op zich.
Mijn favoriet is 'Two Miles to Ana Lese' dat staat als een stoere ranch in een woestijnstorm, waarin de solo virtuoos is en de aandacht vasthoudt tot het laatste akkoord. Deze beschrijving geldt per saldo voor alle tracks. Ook laat Grande horen het componeren en uitvoeren van rustiger nummers te beheersen, zoals prima te horen valt in de mooie ballad 'Walk in November' waar hij overigens enigszins klinkt als Larry Carlton, en in de landerige afsluiter 'Butterflies'.
Mike Grande debuteert uitstekend met 'My Dash Between the Numbers'. Meer 'exposure' via de media en succes zullen hem ten deel vallen als hij niet te lang wacht met een vervolg op dit album. De door hem zelf geacqui- reerde aandacht is immers snel verslapt in het drukke muzikale landschap. Ik kijk in ieder geval uit naar het vervolg en ProgLog AFTERglow blijft Mike Grande zeker in het oog houden. JoJo (05-2008)
Bezetting:
Mike Grande - guitars
Adam Reich - bass
Rob Racalbuto - drums
Eddie Perelman - piano
Randy Bowser - strings
Discografie:
My Dash Between the Numbers (2007)
Wat een week ... CD
MR. BUNGLE - Disco Volante (1995)
Een bizarre tombola ...
... aan stijlen, snel draaiend van jazz naar techno naar tango naar metal naar prog naar ... Af en toe vleugjes Faith No More, tenslotte zanger (of is 'vocale geluidenmaker' een beter label?) Mike Patton's vroegere band, de fragmentarische overgangen van Zappa ten tijde van 'Uncle Meat' en 'Weasels Ripped my Flesh', snufjes Henry Cow wellicht maar vooral toch een eigen gezicht.
Mr Bungle maakt absurde en excentrieke muziek die slechts weinigen zullen kunnen waarderen. Het vraagt uithoudingsvermogen en de muziek leidt tot permanente vraagtekens op de achtergrond: wat bedoelt de band hier mee? wat is de dieperliggende betekenis van al die curieuze geluiden, schreeuwen en effecten? Mijn antwoord zou zijn: de verbeelding van de gekte van het leven, in ieder geval de gekte van deze wereld, want die zag er in 1995 ook al niet zo mooi uit. Gekte, ook tot uiting komend in de tracktitels: 'Everyone I Went To High School With Is Dead', 'Desert Search For Techno Allah' en 'Duet For Guitar and Oxygen Tank'.
Ik hou er wel van ... op z'n tijd ... ik ben weliswaar een positivist maar heb ook mijn mindere dagen waarop zelfs ik zoek naar bevestiging van mijn op die momenten niet al te positieve beeld van de samenleving. Mr. Bungle geeft je dan het gevoel dat je er niet ver naast zit. JoJo (wat een week 20)
Wat een week ... CD
MIKE OLDFIELD - Crises (1983)
Voor elk wat wils ...
... biedt Mike Oldfield op 'Crises'. Zijn achtste album en precies tien jaar na het opzienbarende debuut 'Tubular Bells'. De toen ingezette lijn van complexe en lange instrumentale composities (met elektronische, expe- rimentele en 'bespiegelende' elementen) heeft Oldfield immer vastge- houden, met af en toe een meer commercieel uitstapje.
Op 'Crises' neemt deze laatste, toegankelijke, kant van Oldfield echter een wel heel grote plaats in. 'Kant B' bestaat uit kortere songs, gezongen door gasten als Maggie Reilly, Jon Anderson en Roger Chapman. Het le- vert wereldhits op met 'Moonlight Shadow', dat door Reilly naar plaats 2 in de Top 40 werd gezongen. Ook 'Shadow on the Wall' bereikt alom hoge noteringen en zet Chapman, de ex-frontman van Family, volop in het voetlicht. Wat je er ook van vindt, de nummers zijn de vocalisten op het lijf geschreven en dat is een bijzonder knappe compositorische prestatie.
Fans die liever naar Oldfield's uitgesponnen structuren luisteren komen niet slecht weg met het titelnummer, dat heel 'Kant A' vult en dat opent met een thema uit 'Tubular Bells'. Het schijnt dat Mike Oldfield de rechten op de originele 'Tubular Bells' destijds verkwanseld heeft en hij er uitgerekend in 2008 weer volledig over kan beschikken. En zo blijft dit jeugdwerk de rode draad door Oldfield's leven en oeuvre. Peter Swart (wat een week 20)
Moon Safari - [Blomljud] (2008)
Label: Blomljud Records
Bandsite: www.moonsafari.se
Duur: 51:39 + 52:14
Reviewer: Arjan Bom
Waardering: (uit max. 5 JoJo's)
In 2005 kwam 'A Doorway to Summer' van de Zweedse band Moon Safari uit. Ik vond het geen wereldschokkend debuut maar wel een leuke plaat vol zomerse, lichtvoetige symfo. Onlangs verscheen opvolger '[Blomljud]', een dubbel-cd nog wel, waar ik helaas ook een dubbel gevoel bij heb. Aan de ene kant staat er een aantal uitstekende composities op de twee schijven, er wordt bovendien prima gespeeld en de heren (er zijn maar liefst vier lead-zangers!!!) kunnen nog zingen ook. Wat wil je nog meer?
Het is juist die zang die mijn grootste bron van irritatie vormt. Ik erger me namelijk groen en geel aan de regelmatig ingezette Beach Boys-achtige koortjes. De groep zelf lijkt die koortjes zo'n beetje als hun handelsmerk te beschouwen. Ook op hun debuut werden we er al op 'getrakteerd' maar deze keer kunnen de leden van Moon Safari er maar geen genoeg van krijgen. Het begint al met opener 'Constant Bloom', waarin de instrumenten zelfs niet worden aangeraakt. Ik krijg er een wee gevoel van...
Begrijp mij goed, 'Today', 'Pet Sounds', '20/20', 'Sunflower', 'Surf's Up' en 'Holland' van The Beach Boys zouden in geen enkele platencollectie mogen ontbreken. En wat te denken van het in 2004 eindelijk door Brian Wilson voltooide 'Smile'? Prachtig gewoon.... Maar die koortjes die Moon Safari om de haverklap inzet, passen totaal niet bij hun muziek. In beginsel prima nummers als 'Methusalem's Children' en 'Yasgur's Farm' worden zo toch enigszins onderuit gehaald. Jammer.
Een ander minpunt is dat niet alle composities even sterk zijn. Onbedui- dende songs als 'In the Countryside' en 'Bluebells' zijn misschien niet echt slecht maar kunnen mij maar niet raken. Ronduit irritant vind ik het zeur- derige 'A Tale of Three and Tree' en de eerdergenoemde track 'Constant Bloom', die gelukkig nog geen twee minuten duurt.
Voor de lezers die nu nog niet afgehaakt zijn, er valt ook nog het nodige positiefs over '[Blomljud]' te melden. Er staan ook geweldige nummers op dit album. Met name het ruim een half uur durende 'The Other Half of the Sky' is fenomenaal. Een dijk van een epic met prachtig gitaar- en toetsen-werk. Voor de ware symfoliefhebber is dit smullen geblazen. En als heel sporadisch die koortjes ook hier opduiken, dan zijn ze ook zo weer voorbij. Het stoort me hier in ieder geval niet. Verder vind ik 'Moonwalk' een sublieme track. Het nummer is geheel instrumentaal en de muzikanten leven zich heerlijk uit. Ook het mooie 'The Ghost of Flowers Past' tilt dit album uit de 'gevarenzone'.
Maar cd van het jaar zal '[Blomljud]' wat mij betreft niet worden, al heeft Moon Safari absoluut potentie. Als de band in de toekomst stopt met die lullige koortjes en men de zwakke songs weet te filteren, dan is de band ongetwijfeld tot veel moois in staat. Dat laten de mannen nu tenslotte ook al regelmatig horen. Als, als...tja. Arjan Bom (05-2008)
Bezetting:
Simon Åkesson - lead & backing vocals, piano, Moogs, Mellotrons, Hammond Organ, piano accordion, SFX, choir arrangements
Petter Sandström - lead & backing vocals, 12 string acoustic guitar, electric guitar, SFX
Pontus Åkesson - lead & backing vocals, electric guitars, 6 string nylon/steel acoustic guitar, 12 string acoustic guitar, mandolin
Johan Westerlund - lead & backing vocals, bass
Tobias Lundgren - drums, percussion, backing vocals
Discografie:
A Doorway to Summer (2005)
[Blomljud] (2008)
Wat een week ... CD
GENESIS - And Then There Were Three (1977)
Verleidelijke demonische vrouwen ...
... vinden we meerdere keren terug in het Genesis-repertoire. Peter Gabriel bezong ze in 'The Fountain of Salmacis' en 'The Lamia', voor Phil Collins het stokje overnam in 'The Lady Lies', mijn favoriet van de eerste plaat na het vertrek van Steve Hackett. Voor veel oudere fans het eindpunt, voor nog veel meer nieuwe fans het startpunt. Geen Steve meer, die nog zo geschitterd had op 'Wind & Wuthering' (zie WeekCD 2007-38). Daaren- tegen maar liefst elf relatief korte songs, variërend van prachtige ballads en (helaas niet al te veel) krachtige instrumentale hoogstandjes, tot de eerste hitsingle uit de carrière. 'Follow You, Follow Me' was tegelijk een vloek voor puriteinse fans en een zegen voor serieus Top-40 publiek, want waar hoorde je nog een single met een lange synthesizersolo?
Collega Bom besprak al eerder de box met de nieuwe cd- en dvd-uitgaven (zie Reviews G) en sprak over "niet alleen maar kommer en kwel". Maar neem nou eens zo'n eerste gitaarsolo van Mike Rutherford in 'Burning Rope' of de gedrevenheid die afdruipt van het spel in 'The Lady Lies'. Ik vind het allemaal best verleidelijk. Peter Swart (wat een week 19)
Wat een week ... CD
SONIQ CIRCUS - Soniq Circus (2007)
Aanvankelijke irritatie ...
... over dit album van het Zweedse Soniq Circus is, overigens tergend langzaam, geëvolueerd naar gedogen. Die irritatie ontstond omdat ik deze band zie als een exponent van de diarree aan niet meer uit elkaar te hou- den progbands die het nodig vinden muziek te spelen die al gespeeld is en wordt, die 'koekkoek ene dreun' laten horen en die het bovendien ook nog nodig vinden hun compositorische heil te zoeken bij de zielloze Flower Kings, een band waar overigens het etiket 'diarree' om meerdere redenen niet op zou misstaan. Terugkijken lijkt bij dit soort bands tot kunst ver- heven, terwijl vooruitkijken niet aan de orde is. Dit soort produkten als 'progressief' wegzetten zou dan ook een belediging zijn aan het adres van bands die wel creatief en innovatief bezig zijn.
Ik ben Soniq Circus inmiddels gaan gedogen. Hoewel mijn aanvankelijke ergernissen nog steeds in volle omvang bestaan zijn zij aangevuld met de indruk dat de band ook nog een creatieve bron vond in The Beatles - en dat spreekt dan weer enigszins voor ze - en ook de worsteling laat horen op zoek te zijn naar een eigen geluid. Die worsteling spreekt ook in hun voordeel.
"Het album met al deze bedenkingen dan toch als 'WeekCD' bestem- pelen?", zal de lezer zeggen. Ja, ik moet toch ergens mijn gram halen. Aangezien het schrijven van een review over dit album teveel negatieve energie zou vreten, beperk ik mij dan ook tot een korte indruk via deze rubriek. Leuk hoesje ... dat dan weer wel. JoJo (wat een week 19)
Wat een week ... CD
DON AIREY - K2 (1988)
Met als ondertitel ...
... 'Tales of Triumph and Tragedy'. Toetsenist Don Airey bespeelt al decennia de klavieren bij bekende namen als Ritchie Blackmore's Rain- bow, de band van Cozy Powell, Ozzy Osbourne, Colosseum, ELO, Jethro Tull en als stand-in van Jon Lord bij Deep Purple. Dit solo-album van Airey uit 1988 is een bij een kleine groep legendarisch album maar bij het brede progpubliek een onderbelicht werkstuk. De remaster verscheen in 1999, zonder een belangrijk deel van de hoesteksten overigens. Dat mag vreemd worden genoemd want normaliter is dat juist andersom. Ik ben nog in bezit van de oude versie en die stond compositorisch en produktietechnisch reeds als een huis.
Het album verhaalt over een expeditie van klimmers op de K2, een respect verdienende bergpuist in Kashmir, die verkeerd afloopt met doden onder de klimmers tot gevolg. Het is een sterk door toetsen gedomineerd geheel met, om recht te doen aan de uiteenlopende emoties tijdens zo'n barre tocht, afwisselend felle tracks en rustige ballads. Airey schittert en ook Manfred Mann's Chris Thompson doet met zijn karakteristieke stem mooie duiten in het zakje. Hoewel er af en toe wat gladde popdeuntjes doorheen fietsen, een voorbode van Airey's latere bijdragen aan het verschrikkelijke Eurovisie Songfestival met Katrina and the Waves, is 'K2' een uitstekend progressief werk dat bij verschijnen als ook bij de heruitgave te weinig aandacht heeft gekregen. JoJo (wat een week 18)
Wat een week ... CD
EARTH & FIRE - Atlantis (1973)
Heimwee naar de zeventiger jaren ...
... bekruipt mij bij het luisteren naar Earth & Fire. Toen het nog mogelijk was dat een symfonisch popalbum als 'Atlantis' met gemak de zesde plek op de elpee-hitlijst kon bereiken en de single 'Maybe Tomorrow Maybe Tonight' pas op plaats drie van de Top-40 bleef steken. Vergelijk dat maar eens met nu: van het nieuwste album van Fish heeft mijn vaste cd-zaak tot nu toe slechts één exemplaar kunnen verkopen (ja ... aan mij).
Het lukte de gebroeders Chris en Gerard Koerts steeds weer om ingewik- kelde concepten te verpakken in kundige maar ook toegankelijke muziek, waarbij de aantrekkingskracht van Jerney Kaagman de rest deed.
Neem 'Atlantis', de opvolger van het eerdere succesvolle conceptwerk getiteld 'Song of the Marching Children' ( zie WeekCD 2007/12): een hele elpeekant opgebouwd rond het mythologische Atlantis, met op kant B de genoemde single en songs die moeiteloos aansluiten bij de 'epic'. De ope- ning daarvan is een mooi voorbeeld van de symfo uit die tijd: een sterk gitaarthema, gedragen door Mellotron en een strak ritmetandem. Als Jer- ney Kaagman begint te zingen komt de weemoed naar boven en herinner ik mij weer haar foto ... geplakt op de voorkant van mijn schoolagenda. Peter Swart (wat een week 18)