Wat een week ... CD's

RARE BIRD - Rare Bird (1969)

Toetsenist Graham Field maakte deel uit ...

... van Rare Bird voordat hij Fields formeerde. Iedereen kent natuurlijk de wereldhit 'Sympathy' van Rare Bird. En iedere symfo- en progliefhebber kent het enige album van Fields, dat met terugwerkende kracht als een baken in die onnoemelijk grote progzee staat.
Rare Bird maakte veel meer dan alleen die hit. Op dit debuutalbum horen we de grote klasse van de band in het componeren van op het eerste ge- hoor overzichtelijke tracks die op het tweede gehoor hun vernuft en com- plexiteit pas afgeven. Vooral 'Beautiful Scarlet' is mijn favoriet. En we horen de kwaliteit van Field die vooral op orgel excelleert.


FIELDS - Fields (1971)

Na twee albums met Rare Bird ...



... maakte Field een switch en richtte Fields op, samen met zanger en gitarist Alan Barry en drummer Andrew McCullough, die in King Crimson en later ook in Greenslade speelde. Wel bewegend in hetzelfde idioom als Rare Bird maar sneller, hoekiger en funkier. Fields heeft het nooit ge- maakt, wat wil je met maar een enkel album. Des te opvallender is het dat dit album zeer regelmatig opduikt in historische schetsen van de progres- sieve muziek en in lijstjes. Maar vreemd is het niet want iedere track is raak met als uitschieters de bescheiden hit 'A Friend of Mine', het sterke 'Over and Over Again' en het instrumentale 'The Eagle'.
Van Graham Field is nadien niet veel meer vernomen. Hoe kijkt zo'n man nu terug op die wervelende periode rond 1970? Dat zou ik weleens willen weten. En wat hij doet hij nu? Leeft hij eigenlijk nog? Zo ja, dan kan hij in ieder geval terugkijken op een bescheiden maar hoogstaande catalogus en zal hij ieder jaar nog aardig wat royalties ontvangen van de hit 'Sympathy'. JoJo (wat een week 31 en 32)

Wat een week ... CD

FAR CORNER - Endangered (2007)

Veel redactieleden op vakantie ...

... dus ik beheer alleen maar niet eenzaam de burelen van ons ProgLog AFTERglow. Hoewel ik mij de laatste weken 'bezondig' aan non-prog c.q. 'over the edge of progressive music' stap, heb ik mij recent toch ook zeer vermaakt met de band Far Corner en hun album 'Endangered'. Ontegenzeggelijk progressieve muziek met een klassiek en met name een jazzrandje.
De mannen en de ene vrouw die Far Corner bemensen zien eruit alsof ze net uit een Frankenstein-film zijn gestapt, maar maken hoogwaardige, vrij complexe muziek die met gemak als 'arty' kan worden bestempeld. De band staat onder leiding van de briljante toetsenist Dan Maske met als tweede man de bekende bassist William Kopecky.
'Endangered' is een uitstekend album waarop vooral de lange num- mers 'Creature Council' (tien minuten) en de titeltrack (negentien minuten) eruit springen. Vernuftig, creatief, gevarieerd en dus verrassend zijn de kenmerken. Vrij weinig referenties komen bij mij op, dus het is allemaal behoorlijk autonoom, of het moet de band Gordian Knot zijn.
Goed beschouwd maakt de complexiteit van de muziek van Far Corner het volledig ongeschikt voor zomerse sferen waarin de temperaturen vies zijn. Dus misschien moet u er even mee wachten. Ik zou de band Far Corner echter niet links laten liggen. Dat zou jammer zijn, voor de band en voor u. JoJo (wat een week 30)

Matthew Parmenter - Horror Express (2008)

Label: Strung Out Records
Bandsite: http://www.strungoutrecords.com/
Duur: 60:26
Reviewer: Harry 'JoJo' de Vries
Waardering: (uit max. 5 JoJo's)

Matthew Parmenter, de grote man achter de illustere band Discipline. De band die al een jaar of tien geen studioalbums meer maakt maar sinds kort weer bij elkaar is en zelfs een optreden verzorgde op Nearfest 2008. Parmenter was in de tussentijd gelukkig wel actief. Hij scoorde bij mij al overtuigend met het uitstekende album 'Astray'. En nu dan de release van zijn met een verschrikkelijke titel en niet al te mooie hoes getooide 'Horror Express'. De zorg voor de lay-out is toch al niet zijn sterkste punt want zijn internetsite van zijn eigen label 'Strung Out Records' is ook een zooitje. Maar goed, het gaat natuurlijk om de muziek.
In aanvang maakt Parmenter het ons niet gemakkelijk. Bij eerste beluiste- ringen lijkt het alsof hij alle eigenheid die hij in de loop der jaren heeft opgebouwd in de prullenbak heeft gemikt en zich volledig laat leiden door Van der Graaf Generator en vooral Peter Hammill solo. De invloed van VDGG leidt er logischerwijze ook toe dat de nummers niet snel beklijven door hun complexiteit en gelaagdheid. Dat bevalt mij doorgaans echter wel, zo'n wirwar aan muzikale draden die maar langzaam uit de knoop raakt. Veel luistersessies zijn dan uiteraard wel nodig.
En dan blijkt gaandeweg toch de kwaliteit van Parmenter in het neerzetten van huiveringwekkende melodielijnen en intrigerende songstructuren en verschijnt langzamerhand ook het eigen gezicht. Zoals in de indrukwek- kende openingstrack en bijna tien minuten van 'In the Dark'. Mijn absolute favoriet. De rillingen lopen over de rug bij de inventieve opbouw, de aanzwel- lende en repeterende mellotrons, de 'creepy' tekst en het gedragen en bijna gedeclameerde refrein. Als ProgLog AFTERglow een eindejaarslijst met beste tracks zou maken dan zou 'In the Dark' bovenaan staan. 'O Cesa- re', 'Kaiju' en Snug Bottom Flute and Starveling' bewegen zich in hetzelfde donkere gebied en mogen er ook zijn qua spanningsopbouw.
'Escape into the Future' is een buitenbeentje en zou zo van Tubeway Army i.c. Gary Numan kunnen zijn. Afwijkend van de rest maar wel een lekker nummer door die lekker rommelende synths. De uitgeklede tracks 'Golden Child', 'Monsters From the ID' en 'All Done (Horror Express)' worden met name door de piano gedomineerd en zitten vernuftig in elkaar. Hier geldt het bezwaar dat Parmenter wel heel erg klinkt als het broertje van Peter Hammill solo.
Uitschieter vormt verder 'Polly New' waarin Parmenter tien minuten lang alle registers die hij bezit opentrekt, met weer van de prachtige synths en mellotrons en volle symfonische passages. Afsluiter 'The Cutting Room' zet weer zo'n 'creepy' sfeertje neer en is een waardige epiloog.
Ik hoor Parmenter toch het liefst wat op afstand van VDGG en Hammill bewegen zoals hij ook op het uitstekende 'Astray' uit 2004 deed. Daar was de invloed slechts gedoseerd aanwezig. Op 'Horror Express' is de dosering wat uit balans. Desalniettemin is deze nieuweling een veeldraaier geworden en staat zelfs al in mijn halfjaarlijst 2008. Dat zegt genoeg. Harry 'JoJo' de Vries (07-2008)

Bezetting:
Matthew Parmenter - all instruments

Discografie:
Astray (2004)
Horror Express (2008)

Wat een week ... CD

THE PINEAPPLE THIEF - Tightly Unwound (2008)

'One of the most influential ...

... bands of the New Artrock', zoals omschreven op de hoessticker, dat lijkt mij lichtelijk overdreven maar The Pineapple Thief biedt wel degelijk hoge kwaliteit. Met enige terughoudendheid schafte ik het nieuwste al- bum 'Tightly Unwound' aan, bang om teleurgesteld te worden want laaiend enthousiast ben ik over de voorgaande albums nooit geworden. Maar die angst was ongegrond.
De band laat een volwassen geluid horen waar nog wel wat sporen van U2, Radiohead en Porcupine Tree in zijn getrokken maar waar het op eigen benen staan de boventoon voert. De produktie is prima - wat een heerlijke diepe bassen - en de composities aantrekkelijk o.a. door de afwisseling tussen relatief toegankelijke, emotionele tracks zoals 'My Debt to You' en complexere, meer experimentele nummers.
Subliem hoogtepunt van dat 'experiment' vormen de tien minuten van 'Different World' en vooral de vijftien minuten van 'Too Much to Lose'. De band laat hier horen wat er allemaal in de koffer met muzikale bagage zit. Progressieve rock op z'n best.
Toch een minpuntje maar dan van een andere orde. Absurd dat op de goed verzorgde hoes niet eens een bezetting te vinden valt. De enige naam die wordt genoemd is van frontman, componist en producer Bruce Soord. Van John Sykes (bas), Keith Harrison (drums) en Steve Kitch (keyboards) geen spoor te bekennen. Bij deze dan maar. JoJo (wat een week 29)

Wat een week ... CD

MIKE OLDFIELD - Tubular Bells (1973)

Griezelen bij Bassie en Adriaan ...

... of bij 'The Excorsist', het is maar wat u wilt. Generaties kinderen en horrorliefhebbers kennen allemaal het openingsthema van 'Tubular Bells'. Meezingen kunnen ze het wellicht niet, want het thema bestaat uit opeen- volgende 7/8 en 8/8-maten. Het was tevens Oldfield's entree in de rock- wereld en is het intro tot een werk waarmee alle composities in zijn ver- dere carrière zijn vergeleken.

De bijzonderheid zat hem voor een groot deel in het feit dat de jonge muzikant vrijwel alle instrumenten zelf bespeelde, en dat nog wel op twee elpeekant-lange complexe instrumentale stukken. Veel zowel akoestische als elektrische gitaren, piano, orgel, percussie-instrumenten, 'glockenspiel' en natuurlijk de tubular bells. Het levert een sfeervol geheel op dat, getuige de geschiedenis, vroeg om uitwassen ('Tubular Bells II' en 'III'), orkestratie (door David Bedford) en aangepaste remasters. Maar geef mij de originele plaat maar.
Altijd maar achtervolgd worden door een briljant jeugdwerk en zolang de omroepen 'Bassie en Adriaan' van de plank blijven halen zal dat voorlopig nog wel even doorgaan. Peter Swart (wat een week 29)

Wat een week ... CD

PETER GABRIEL - So (1986)

Na het optreden van Manu Katché ...

... in de Rotterdamse Lantaren, in de schaduw van North Sea Jazz, thuis snel opzoeken hoe deze Franse drummer ooit in de progrock beland is. Want we kennen de man natuurlijk van zijn werk bij Peter Gabriel. Op het tweede nummer van Gabriel's vijfde album 'So' maakt Katché voor het eerst zijn opwachting. En wát een entree: 'Sledgehammer' wordt een wereldhit, de videoclip wint allerlei prijzen en Gabriel breekt definitief door bij het grote publiek.
'So' is het eerste album met een officiële titel en is een stuk toeganke- lijker dan de voorgaande naamlozen. Maar liefst vijf van de negen num- mers worden hits, waaronder het mooie duet met Kate Bush 'Don't Give Up', terwijl de muzikale kwaliteit een constant hoog niveau behoudt. Alleen al de eerste halve minuut van het album, de percussieve opening van 'Red Rain', is de aankoop waard en dan hebben we Katché nog niet eens ge- hoord maar 'slechts' zijn voorganger Jerry Marotta.
Manu Katché zou Gabriel trouw blijven, ondanks zijn uitstappen naar Sting en de jazzwereld. En na zo'n jazzconcert sta je dan te klappen, terwijl de legende op nog geen twee meter afstand bescheiden het hoofd buigt. Prachtig. Peter Swart (wat een week 28)

Wat een week ... CD

ZOLDAR & CLARK - The Ghost of Way (1977)

Waarom kreeg England wel ...

... veel aandacht in de progressieve scene en werd hun album 'Garden Shed' een 'must have' voor de liefhebber? En waarom lukte dat Zoldar & Clark met 'The Ghost of Way' uit datzelfde jaar 1977 niet? Betere promotie door de platenmaatschappij? Vriendjespolitiek? Desinteresse in de media? Of leverde Zoldar & Clark simpelweg minder kwaliteit? Driewerf "nee" is het antwoord op die laatste vraag. Sterker nog, ik heb dit obscure album een week binnen en het scoort nu al ruimschoots hoger dan 'Garden Shed' van England, toch ook geen misselijk album.
Zoldar & Clark beweegt zich in hetzelfde domein als England en vindt inspiratie in de eerste vier albums van Yes, King Crimson, Gentle Giant en een sporadische Jethro Tull passage. De band bestaat uit zeven uitste- kende musici waarbij ik vooral de drummer en een van de zangers Jeff Cannata (later in progrockband Jasper Wrath) vind opvallen en waarbij toetsenist Michael Soldan op mellotron excelleert.
De composities zijn ijzersterk en in mijn oren vele malen avontuurlijker en minder voorspelbaar dan wat England laat horen en bovendien nauwelijks onderhevig aan de tand des tijds. Het briljante 'Somewhere Beyond the Sun' zou deze week voor het eerst uitgegeven kunnen zijn en doet kond van een Spock's Beard 'avant la lettre' maar dan een paar punten beter, al is dat laatste weer niet zo moeilijk ...
Gestoken in een bijzondere hoes waarbij vooral het art-work aan de bin- nenzijde wonderschoon is, is hier zondermeer sprake van een album dat een 'must have' behoort te zijn voor de symfo- en progliefhebber. Compli- menten aan Oxford Circus voor de heruitgave van dit uitstekende album dat nog nooit op CD verscheen. JoJo (wat een week 28)

MUSICAL IMPRESSION: klik op Zoldar & Clark

Soft Machine – Third (1970)

Label: Sony/BMG
Bandsite:
http://calyx.club.fr/softmachine/
Duur: 76:07 + 38:35
Reviewer: Henk Vermeulen
Waardering:
(max.score JoJo’s)

Waarom een recensie van een plaat die in 1970 voor het eerst uitkwam? Ten eerste staat ‘Third’ bij mij al 38 jaar bovenaan de lijst met beste albums aller tijden. Ik laat dan ook geen gelegenheid onbenut dat uit te leggen. Daarnaast is het album in 2007 geremasterd uitgebracht met een subliem geluid vergeleken met de oude stoffige opnames. Wellicht haal ik een categorie muziekliefhebbers over om deze nieuwe uitgave alsnog aan te schaffen nadat zij eerder door de slechte geluidskwaliteit waren afge- haakt. En ‘Third’ mag niet ontbreken in de lijst legendarische klassieke albums die op ProgLogAFTERglow werden gerecenseerd.
Met de weinig originele titel ‘Third’ bracht de uit Canterbury afkomstige groep Soft Machine in juni 1970 haar derde album uit. Het was het eerste dubbelalbum van de band die voortaan zonder het lidwoord ‘The’ door het leven zou gaan. De vaste bezetting bestaande uit Ratledge, Hopper en Wyatt werd voor dit album uitgebreid met vijf andere leden van de Canter- bury scene: het muziekgezelschap The Wilde Flowers.
'Third' bevat vier composities die elk ongeveer negentien minuten duren. Net zoals een beeld ooit een brok steen zonder structuur is geweest, zo begint opener ‘Facelift’ van Hopper met een orkaan van ogenschijnlijk onge- structureerde geluiden welke niets, maar dan ook niets met muziek te maken lijkt te hebben. Ik herinner mij dat vele van mijn muziekvrienden hier al afhaakten. Ik prijs mij gelukkig dat ik mij door mijn nieuwsgierigheid heb laten leiden en ben blijven luisteren.
De ‘herrie’ start met een steeds luider aanzwengelende basdreun, spoe- dig opgevolgd door onheilspellende orgeltonen die imponeren als water- druppels die elkaar achterna gaan. Ondertussen vraagt het vervormde, valse orgelgeluid van Ratledge steeds meer aandacht: het geluid, sterk vervormd door booster, komt tot stand door ogenschijnlijk willekeurig op de toetsen te rammelen. Dan volgt een vals gestemde viool als inleiding op het binnenhalen van steeds meer valse maar tegelijkertijd mooie geluiden van saxofoon, trombone en fluit. Als deze geluidsmuur tot steeds grotere intensiteit is aangewakkerd, blijkt dat er zich in de voorgaande minuten toch iets heeft ontwikkeld wat enigszins doet denken aan een melodie: de eerste contouren van het uiteindelijke beeldhouwwerk beginnen zichtbaar te worden. Kort na deze constatering start het ‘melodieuze gedeelte’ van ‘Facelift’.

Het voert te ver om alle sferen te beschrijven die de luisteraar onderweg tegenkomt. Ik kan echter niet om de de prachtige, gevoelige fluitsolo van Jimmy Hastings heen. Het typische Soft Machine geluid - de basstijl van Hopper of het orgelspel van Ratledge of misschien toch het subtiele geroffel van Wyatt - houdt de zaak echter bij elkaar zodat er ondanks de hetero- geniteit aan sferen en stijlen voortdurend cohesie blijft. ‘Facelift’ eindigt met langzaam vervagende, door orgel geproduceerde geluidseffecten: alsof de laatste restjes steen er als rafeltjes en randjes afgevijld worden.
‘Slightly all the Time’ is de voorbode van de richting die men na ‘Third’ zou inslaan: pure jazz(rock) vanwege de typische jazz ritmiek en de bla- zers. Toch is het te kort door de bocht om hier van louter jazz te spreken. De track is het best te betitelen als ‘Soft Machine op ontdekkingsreis in jazzland’. Elton Dean zorgt op altsax voor de romantische, dromerige sfeer terwijl de andere blazers de luisteraar plotseling doen swingen in een typisch jazz ritme. Kortom, ook hier veel afwisseling en contrasten.
‘The Moon in June’ is een typische Wyatt compositie: veel aandacht voor subtiel slagwerk en zijn prachtige typische stem die regelmatig een ‘pas de deux’ maakt met de door Ratledge geproduceerde orgeltonen. Ik vind het een uit de hand gelopen, zwoel, dromerig liefdeslied. De tekst doet surrealistisch aan met name door de ‘positiewisselingen’ van de zanger: de ene keer verhaalt hij van zijn gevoelens jegens zijn geliefde om vervolgens plotseling op het ‘hier-en-nu-niveau’ van de song te zitten. Een truc die Wyatt in zijn latere groep Matching Mole ook veelvuldig heeft toegepast.
Het album eindigt met het psychedelische ‘Out Bloody Rageous’ dat zowel aan begin en eind als ’minimal music’ benoemd kan worden. Daartussenin worden prachtige ‘maximal music’ melodieën gespeeld, die ontroeren, laten swingen en van geheimzinnigheid blijk geven. Deze compositie is als het prototype van de Soft Machine Sound uit de periode 1970 te beschouwen. De Bonus CD bij de remaster is een heruitgave van de eerder uitgebrachte CD ‘Live at the Proms 1970’. Ook dit schijfje is de moeite meer dan waard omdat het een prachtig voorbeeld is van een Soft Machine concert uit die tijd.
Hierna wordt ‘Fourth’ uitgebracht waarop hoorbaar is dat de band een andere richting is ingeslagen waarin jazz een steeds voornamer bestand- deel zal gaan vormen. Het speelse zo kenmerkende karakter van de muziek komt daarmee stilaan tot een eind om steeds meer plaats te gaan maken voor een serieuze ondertoon. Henk Vermeulen (07-2008)

Bezetting:
Robert Wyatt - drums, vocals
Hugh Hopper - bass guitar
Mike Ratledge - piano, organ
Gasten:
Nick Evans - trombone
Rab Spall - violin
Lyn Dobson - flute, soprano saxophone
Elton Dean - alto saxophone
Jimmy Hastings - flute, bass clarinet

Discografie (selectief):

Soft Machine (1968)
Volume Two (1969)
Third (1970)
Fourth (1971)
Fifth (1972)
Six (1973)
Seven (1973)
Bundles (1975)
Softs (1976)
Alive & Well Recorded In Paris (1978)
Land Of Cockayne (1981)
Rubber Riff (1994)
Spaced (1996)
Virtually (1997)
Noisette (2002)
Facelift (2002)
Soft Machine BBC Radio 1967-1971 (2003)
Soft Machine BBC Radio 1971-1974 (2003)

Wat een week ... CD

TONY LEVIN - Stick Man (2007)

Levin kun je 'in the blind' kopen ...

... want deze 'old soldier' levert altijd kwaliteit af. 'Stick Man' is een voor- beeld van ultieme progressiviteit of zoals Emett Chapman het noemt (uitvinder van de 'two-handed tapping' techniek van spelen die Levin ook gebruikt; vandaar ook de 'Chapman Stick'): "a new game in town". Nieuwe opnametechnieken - luister naar de vervormde stem van Levin in 'Slow Glide' - vreemde structuren van composities, daarmee een andere bena- dering van muziek en ook van Levin's eigen muziek tot nu toe tonend, en een grabbelton met verrassingen. Veel verrassingen. De zeventien tracks klokken gemiddeld niet langer dan een minuut of drie maar er gebeurt zoveel dat de nummers veel langer lijken en je als luisteraar op de punt van de stoel blijft zitten onderwijl denkend "wat zal er nu toch weer komen?".
Natuurlijk levert Levin's historie in King Crimson en de deelname van Pat Mastelotto op drums ook her en der een 'crimson touch' op: openingsnum- mer 'Welcome' doet mij bijvoorbeeld denken aan 'Elephant Talk'. Maar verder is eigengereidheid en eigenheid troef, zowel in de rustiger tracks als in de complexere en drukkere nummers.
Tony Levin heeft met 'Stick Man' een topalbum afgeleverd dat vorig jaar al verscheen en aan de aandacht van velen lijkt te zijn ontsnapt. Volkomen onterecht. Die 'Popie Jopie' hoes nemen we dan maar op de koop toe. JoJo (wat een week 27)

Wat een week ... CD

YES - Magnification (2001)

Yes zonder toetsenist ...

... de band leek de verwarring van de tachtiger en negentiger jaren nog niet te boven te zijn. Anderson, Howe, Squire en White kwamen echter met een orkest op de proppen om het gat te vullen. Een gewaagd maar uiterst succesvol experiment. De orkestleden hoefden zich niet te beperken tot functionele 'achtergrondstrijkjes' maar mochten hun kunnen tonen in uit- gebalanceerde arrangementen waaraan hoorbaar veel aandacht besteed is. Aan het eind van één van de topnummers 'Dreamtime' krijgt het zelfs een solo-rol in een prachtig stuk modern klassiek .
De muziek is over de gehele linie van hoge kwaliteit en brengt regelmatig de sfeer van de zeventiger jaren in herinnering: de zalige slide van Howe, de knetterende bas van Squire en de ijle zang van Anderson, die ons weer moeilijk te doorgronden lappen tekst voorschotelt waar je echter heerlijk je eigen verbeelding op kunt loslaten. Yes zou met het orkest de boer opgaan (DVD: 'Symphonic Live'), terwijl Rick Wakeman alweer klaar stond om het stokje van de huurlingen over te nemen. Peter Swart (wat een week 27)

Presence - Evil Rose (2008)

Label: Black Widow Records
Bandsite: www.presence.it
Duur: 72:10
Reviewer: Harry 'JoJo' de Vries
Waardering: (uit max. 5 JoJo's)

Presence is een Italiaanse band die al langer meedraait en met 'Evil Rose' alweer hun zesde album presenteert. Ik moet eerlijk zeggen dat ik de bandnaam weleens voorbij had zien schuiven maar dat beluisteren tot op heden nog niet aan de orde was. Totdat deze promo met een plof op de deurmat viel.
De band beweegt zich in het donkere segment van de progressieve rock en verwerkt met graagte gothic-elementen in haar muziek en snufjes klassiek en jazz. De harde kern bestaat uit een driemensschap met de geweldige gitarist Sergio Casamassima, met toetsenist Enrico Iglio die diepe zware klanken weet te produceren en zangeres Sophya Baccini die in de voetsporen probeert te treden van de zangeressen van Within Temp- tation, Nightwish en The Gathering maar hun schoenveters nog niet eens mag vastmaken. Over dit laatste euvel later meer.
Referenties aan de genoemde bands zijn ook in de muziek terug te vin- den, al is een band als Within Temptation uitermate goed in staat pakken- de melodielijnen te schrijven en die in een goticjasje te gieten. Presence slaagt daar maar zelden in. De composities zijn 'over the top' en geforceerd complex en bestaan zonder uitzondering uit onlogische overgangen en 'breaks'. Nu kan 'onlogisch' na meerdere draaibeurten opeens gaan klinken als 'logisch' maar dat weldadige en doorgaans spirituele moment heb ik nog niet mogen ervaren bij dit album. Voorts zijn de teksten vaak volkomen onbegrijpelijk en lijkt het alsof de tekstschrijver goed z'n best geeft gedaan om de moeilijkste Engelse woorden uit het woordenboek op te diepen.
En dan de zang van Sophya Baccini. Wat voor de composities geldt, gaat ook op voor de zang: 'over the top'. Verder is het soms onzuiver en ontstaat er slechts zelden synergie met de muziek. De uitspraak van het Engels is bovendien matig en de klemtonen worden her en der op z'n Italiaans ge- legd. Dat zou ik haar nog wel willen vergeven maar ik heb het gevoel dat Baccini absoluut niet weet waarover ze zingt, en als dat wel zo is weet ze dat slecht over te brengen.
Is er dan niets positiefs te melden? Jawel. De band is technisch vaardig. Zo weet vooral gitarist Casamassima prima, langgerekte tonen in zijn solo's te verwerken waardoor hij soms lijkt op Hackett. Ook de keyboards van Iglio staan goed in het geluidsspectrum en weten op de juiste wijze een donkere, sombere sfeer neer te zetten. De hoes is mooi verzorgd. En zo af en toe zitten er hele aardige melodische passages tussen o.a. in het titelnummer van tweeëntwintig minuten en in het acceptabele 'Orphic'. Er staan ook twee covers op (brrrrr....): 'The Prophet's Song' van Queen's Brian May en 'Gates of Babylon' van Blackmore en Dio die qua sfeer welis- waar goed op het album passen maar het niveau helaas niet omhoog trekken.
Presence draait zoals gezegd al heel wat jaren mee en heeft een hele rits albums gemaakt. Daar zal dan blijkbaar een markt voor zijn in het Italiaan- se. Mij kan het echter nauwelijks bekoren. Ik ga 'The Silent Force' van Within Temptation opzetten. Even luisteren hoe het wel moet. Harry 'JoJo' de Vries (07-2008)

Bezetting:
Sophya Baccini - vocals
Sergio Casamassima - electric guitar, bass guitar
Enrico Iglio - keyboards
Valerio Silenzi - drums

Discografie:
Makumba (1992)
Black Opera (1996)
Gold (2000)
The Sleeper Awakes (1994)

Live (2004)
Evil Rose (2008)